Twee kanten
Zaterdagmiddag, het Café Zonder Naam in de Gentse Zuidpoort. Een goede plek waar mensen zich op hun gemak voelen; zowel mensen uit de buurt als straatbewoners. Ze komen er voor een lekkere warme maaltijd en voor de gezelligheid. Ik kom er iedere week wel op zaterdag omdat ik er altijd wel verschillende van mijn gasten* van de straat tref. Ook vanmiddag weer. En de één na de ander vraagt me: "gaat 't weer een beetje?"
Dat 'gaat het weer een beetje' klinkt heel gewoontjes maar is eigenlijk heel bijzonder. In de afgelopen maanden, zo sinds eind maart, stond mijn leven een paar keer op z'n kop vanwege ziekte en dood in mijn familie - zowel 'echte' familie als aangenomen familie. Ik ben een tijd lang gedeeltelijk uit de roulatie geweest. Dat merken mijn gasten en dan willen ze weten waarom. En ik vind dat mijn gasten-van-de-straat ook recht hebben om te weten hoe het met mij gaat. Zodoende weten veel van de mensen die ik in het Café Zonder Naam tref wat er gebeurd is. Vandaar die vraag of het weer een beetje gaat… Sommige van mijn gasten in de gevangenis weten het ook. En een aantal daarvan - onafhankelijk van elkaar - zeiden meteen: "als je er over wilt praten ben ik er, hoor!"
Al sinds het begin van mijn werk als straatpastor en gevangenisaalmoezenier worstel ik met het vraagstuk van de gelijkwaardigheid. Want mijn situatie aan de ene kant en de situatie van mijn gasten aan de andere kant zijn niet gelijkwaardig. Ik heb een dak boven m'n hoofd, ik heb een job (de mooiste in de wereld zelfs). De mensen die ik tref in het Café Zonder Naam of in onze eigen huiskamer 'Oe Est' of in de Fontein hebben dat allemaal niet. En die in de bak hebben weliswaar een dak boven hun hoofd en drie maaltijden per dag, maar dat is het dan. Aan het eind van de dag ga ik weer naar buiten en moeten zij binnen blijven, vaak ook nog met twee of drie man in een cel van negen vierkante meter. Dat mooie ideaal van gelijkwaardigheid, dat ook in de presentiebenadering (LINK: https://stadspredikant.gent/index.php/2024/03/24/present/) hoog wordt gehouden, is in de praktijk vaak niet te realiseren. Maar het is nu juist eigen aan mijn werk, dat ik probeer om zo dicht mogelijk bij mijn gasten te komen. Professionele distantie werkt niet in dit werk. Pastoraat, en helemaal straatpastoraat, vraagt precies om nabijheid. Maar je blijft in een situatie die ongelijkwaardig is. Dat zorgt voor een spanning die feitelijk niet op te lossen is.
Maar als gelijkwaardigheid dan niet te realiseren is: wederkerigheid is wel degelijk een reële mogelijkheid. Dat betekent ook, dat ik het niet wegstop als het met mij niet goed gaat. Natuurlijk niet tegenover iedereen; maar dat geldt andersom net zo goed. Mijn gasten zullen mij alleen echt persoonlijke dingen vertellen als er een band van vertrouwen opgebouwd is; wat op zich al iets bijzonders is voor mensen die op straat leven. Want iets van jezelf blootgeven, dat betekent kwetsbaarheid. Maar als ik niet op mijn beurt mijn kwetsbaarheid durf te laten zien, dan is er geen sprake van wederkerigheid. Dan blijft het éénrichtingsverkeer, en éénrichtingsverkeer is - naar mijn ervaring - geen goed pastoraat. Pas als het lukt met die wederkerigheid, als het lukt om van beide kanten je kwetsbaarheid te laten zien, dan kan er werkelijk iets gebeuren. En dat is kostbaar, voor mijn gasten én voor mijzelf. Aan twee kanten.
* Het woord 'gasten' gebruik ik in navolging van het spraakgebruik van het straathoekwerk. Hier klinkt ook de informele betekenis van 'gast' als 'persoon' in door, zoals in "een toffe gast".
